Bindweefsel – steunweefsel
Bindweefsel (Steunweefsel)
Bindweefsel is een van overvloedigst aanwezige weefsels in het lichaam. Specialisatie vanuit mesoderm. Cellen niet aaneengesloten / er is tussencelstof.
Uit mesoderm wordt mesenchym gevormd.
Uit mesenchym komen :
-   Fibroblasten   vormen het bindweefsel
-   Chondroblasten   vormen het kraakbeen
-   Osteoblasten   vormen het bot
Functies:
-Â Â Â Verbindt, het ondersteunt en sterkt andere lichaamsweefsels.
-Â Â Â Beschermt en isoleert interne organen.
-Â Â Â Onderverdeelt structuren zoals skeletspieren.
-Â Â Â Dient als belangrijk transportsysteem in het lichaam (bloed, een vloeibaar bindweefsel)
-Â Â Â Biedt plaats aan de voornaamste voorraad energie reserves (vet of vetweefsel)
-Â Â Â Belangrijkste bron van immune responses.
Bindweefsel bestaat uit twee basis elementen:
1.   Cellen
2.   Extracellulair matrix (tussencelstof)
Alle cellen zijn in staat tussenstof te produceren.
Stamcellen produceren iets, en vormen daarmee (met deze tussencellen) het weefsel.
Tussencelstof + fibroblasten = bindweefsel.
Extracellulair matrix is de materie tussen de cellen. Het bestaat uit eiwit vezels en een grondsubstantie, het materiaal tussen de cellen en de vezels. De extracellulaire matrix is meestal afgescheiden van de bindweefselcellen en bepaalt de kwaliteit van het weefsel. Bijvoorbeeld in kraakbeen is de extracellulaire matrix stevig, maar plooibaar. In botten daarentegen is het hard en niet flexibel.
In tegenstelling tot epitheel komt bindweefsel meestal niet voor aan lichaamsoppervlakten.
Bovendien, in tegenstelling tot epitheel, is bindweefsel hoog vasculair, d.w.z. heeft een rijke bloedtoevoer. Uitzonderingen zijn kraakbeen, welke avasculair is, en pezen, met een schrale bloedtoevoer.
Met uitzondering van kraakbeen, is bindweefsel net als epitheel voorzien van zenuwen.
Bindweefselcellen
Cellen in bindweefsel stammen af van mesenchymale cellen (embryonaal bindweefsel in mesoderm).
Bindweefsel kent de volgende types cellen:
1.   Fibroblasten.
Fibroblast = stamcel die bindweefsel maakt.
Grote platte cellen met vertakkingsprocessen. Fibroblasten trekken door het bindweefsel, secreren de vezels en grondsubstantie van de extracellulaire matrix.
Alle weefsels die ze maken hebben grote bindingskracht. Maken de grondsubstantie (matrix)
2.   Macrofagen. (mononuclaire fagocyten) (grote eters)
Ontwikkelen zich uit monocyten, een type witte bloedcellen. Hebben een onregelmatige vorm met korte vertakkingsprojecten en zijn in staat bacteriën en cellulaire reststoffen te verslinden door fagocytose. (fagocytose is de vernietiging van het in het organisme binnengedrongen bacteriën, virusdeeltjes e.d. en andere schadelijke elementen).
3.   Plasma cellen.
Kleine cellen die zich ontwikkelen uit witte bloedcellen genaamd B lymfocyten. Plasma cellen scheiden antilichaampjes uit, eiwitten die vreemde substanties in het lichaam aanvallen of neutraliseren. Komen in veel plaatsen in het lichaam voor, maar speciaal in het gastrointestinale en respiratoire traject. Komen ook veel voor in de speekselklieren, lymfeklieren, milt en ruggenmerg.
Produceren antilichamen. Gerichte afweer.
4.   Mestcellen, mastocyten
Veelvuldig langs de bloedvaten in bindweefsel. Ze produceren histamine, een chemicaal dat smalle bloedvaten verwijdt als onderdeel van de ontstekingsreactie, de reactie van het lichaam bij letsel of infectie. (Histamine doet weefsel opzwellen). Bovendien kunnen mestcellen bacteriën binden, opnemen en doden.
Zinvol bij bijvoorbeeld wond: zet alle kanalen open.
Komen vooral voor in de wandbloedvaten en weefsels die sterk doorbloed zijn.
5.   Adiposyten, vetcellen.
Slaan triglyceriden (vetten) op. Komen voor diep in de huid, en rondom organen zoals hart en nieren.
Zeer zinvolle en nuttige cellen. Zorgen ervoor dat je warm blijft.
6.   Witte bloedcellen
Komen niet veel voor in normaal bindweefsel. In bepaalde omstandigheden trekken ze van uit bloed naar bindweefsel.
Tijdelijke passanten. Komen alleen voor als er iets aan de hand is.
Bindweefsel extracellulair matrix
Elk type bindweefsel heeft unieke eigenschappen, gebaseerd op het specifieke extracellulaire
materiaal tussen de cellen.
De extracellulaire matrix bestaat uit twee belangrijke componenten:
1.   Grondsubstantie
De grondsubstantie ondersteunt cellen en verbindt ze, verschaft een medium voor omruil van materialen, slaat water op, heeft invloed op celfuncties.
Substanties in de grondsubstanties zijn water en polysacchariden, en ook proteoglycan (bindweefselcomponent bestaande uit 5% eiwit en 95% koolhydraten) en adhesie eiwitten.
2.   Vezels. (Producten van cellen)
De vezels in de extracellulaire matrix verschaffen sterkte en ondersteuning. Er zijn drie types (naar het soort proteïne wat ze maken):
a.   Collagene vezels (samengesteld uit collageen) bevinden zich in grote hoeveelheid in botten, pezen en ligamenten. Komen voor in bundels, hetgeen kracht geeft aan het weefsel. (colla = lijm). Zijn erg sterk en bestand tegen trekkracht.
Soepel, veel trekkracht.
b.   Elastische vezels (samengesteld uit elastine, fibrilline en andere glycoproteïnen) bevinden zich in huis, bloedvatwanden en longen. Vormen vertakkingen tot een netwerk, zijn sterk en hebben een grote elasticiteit.
Lijken op het haarnetje van oma.
c.   Reticulaire vezels (samengesteld uit collageen en glycoproteïne) bevinden zich rondom vetcellen, zenuwvezels en skeletspiercellen en gladde spiercellen. Vormen vertakkingen tot een netwerk. Functie: kracht en ondersteuning. Helpen ook de basement membraan te vormen.
Stevig. Fijne, trekvaste vezel. Zorgen ervoor dat de vorm in stand blijft.
-
Nieuwsbrief
Schrijf u in
-
Discussieer hierover in het forum
Naar het forum
Gerelateerde Boeken | Bestel ze hier!
![]()
Van geest tot lichaam
Paulus Rijntjes
![]()
Anatomie en fysiologie van de mens / druk 3
L. Gregoire
![]()
Anatomie en fysiologie van de mens / druk 15
L.L. Kirchmann & L.-L. Kirchmann
![]()
Principles Of Anatomy And Physiology
Gerard J. Tortora & Bryan H. Derrickson

